Terug naar het overzicht

Over de uitgangspunten van het nieuwe verdeelmodel en over hoe vaak en hoe lang je wet- en regelgeving kan uitstellen (heel lang)

Met deze eerste blog doen we de aftrap! Met daarin antwoorden op de basisvraag: waarom is er eigenlijk een nieuw verdeelmodel tot stand gebracht? En: hoe vaak en hoe lang kun je wet- en regelgeving die belangrijk is voor een decentraal stelsel uitstellen? (heel vaak dus)

Het streven is om voor alle Nederlandse gemeenten per 1 januari 2023 een nieuw verdeelmodel in te voeren. Een nieuwe verdeling is nodig omdat de huidige verdeling niet meer goed aansluit bij de kosten van gemeenten. Dit geldt vooral voor het sociaal domein (inmiddels bijna een understatement). Daarnaast is de manier waarop de verdeling rekening houdt met de verschillen in eigen inkomsten tussen gemeenten voor het laatst in 1997 geactualiseerd. Dat lijkt niet lang geleden, maar in 2023 is dat dus alweer 26 jaar geleden (mind you!). En als laatste bestaat de behoefte de verdeling eenvoudiger te maken. Goed, tot zover helder. Maar dan.

In Nederland willen we dat iedere gemeente een gelijkwaardige financiële uitgangspositie heeft, zodat iedere inwoner een gelijkwaardig voorzieningenniveau kan verwachten tegen gelijke belastingdruk, ongeacht de plek waar die inwoner woont. Die gelijkwaardigheid wordt gerealiseerd door in de verdeling een balans te zoeken tussen verschillende eisen (afkomstig uit de Financiële-verhoudingswet):

  • Het volgen van de noodzakelijke kosten van gemeenten (kostenoriëntatie)
  • De mogelijkheden die gemeenten hebben om een deel van die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening)
  • Niet de gedetailleerd te verdelen zodat voorkomen wordt dat de verdeling als bestedingsnorm gaat werken (globaliteit) en
  • Het vermijden van beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking).

Voorwaar geen gemakkelijke opgave dus, want daarnaast moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn zodat budgetten niet te veel schommelen. Maar de verdeling moet dan wel weer zo flexibel zijn dat deze meebeweegt met de veranderende kosten die gemeenten maken. Mmmm, #hoedan, denk ik (ook omdat het nieuwe verdeelmodel uitgaat van de huidige middelen en niet van MEER middelen).

Dat doen de modellenmakers dus door het takenpakket van gemeenten op te delen naar clusters. Clusters zijn gelijksoortige beleidsvelden. Daardoor wordt het mogelijk om een verdeling te maken op basis van kostenfactoren (maatstaven) die een (ik citeer) “uitlegbare en in de tijd stabiele relatie hebben met de noodzakelijke kosten van het takenpakket”. Vervolgens wordt gekeken in welke mate gemeenten deze kosten zelf kunnen dekken (de eerder genoemde inkomstenverevening) door een inschatting te maken van de mate waarin gemeenten over eigen inkomsten kunnen beschikken. Het verschil tussen de inschatting van de kosten en de veronderstelde eigen inkomsten is wat gemeenten uit het gemeentefonds ontvangen.

In de nieuwe verdeling is de balans tussen de verschillende eisen om gelijkwaardigheid tussen gemeenten te realiseren, veranderd. Daarnaast is het de onderzoekers volgens het Ministerie van BZK ook nog gelukt om de knelpunten (waaronder aansluiting kosten sociaal domein, inkomstenverevening en complexiteit) op te lossen.

Tot zover de basis van het nieuwe verdeelmodel. In de wereld van het nieuwe verdeelmodel klopt alles dus als een bus, volgens de onderzoekers. En dat geloof ik ook direct, want modelmatig is er weinig op te merken (over de uitgangspunten zou je vanuit de praktijk nog wel een stevige dialoog kunnen organiseren). Maar als we kijken naar de uitwerking van het model vanuit het perspectief van besteedbare middelen die de gemeenten op hun rekening gestort zien krijgen, zie ik aan de horizon donkere wolken opdoemen. Daarover meer in ons volgende blog.

Voor nu licht ik tot slot nog twee zaken uit in deze blog omdat ik ook constateer dat een aantal zaken al jaren (ja echt, jaren) in de planning staan maar nu pas bij de invoering van een nieuw verdeelmodel handen en voeten krijgt. En dat legt een grote druk op gemeentelijke organisaties om op navolgbare keuzes te maken in de verdeling van middelen in het sociaal domein per 1 januari 2023. Het telkens uitstellen van invoering van wet- en regelgeving zodat de benodigde congruentie op stelselniveau gerealiseerd wordt in het “nieuwe” decentrale stelsel, helpt gemeenten niet bepaald bij het oppakken van hun maatschappelijke opgaven. En zeker niet om te sturen op de vormgeving van de eigen verzorgingsstad. Het is te hopen dat het nieuwe Kabinet wat meer tempo zet op voor gemeenten belangrijke trajecten.

Zo waren er in 2017 al plannen om de middelen voor Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang te decentraliseren. Uiteindelijk resultaat: invoering door decentraliseren middelen Beschermd Wonen vindt plaats per 2023 (met een ingroeipad van 10 jaar), door decentraliseren van Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang gaat pas in 2026(!) onderzocht worden (dan mogen we blij zijn met invoering per 2028 wanneer het eerste grote onderhoud op het voorliggende verdeelmodel gepland is).

Als we kijken naar de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel zien we dat het voornemen was om dit per 1 januari 2020 in te voeren. Uiteindelijke definitieve invoeringsdatum: 1 januari 2023(!). Tot slot: per 1 januari 2021 is er eindelijk een lang gekoesterde wens van velen in vervulling gegaan: de openstelling van de Wlz voor GGZ-cliënten. Reeds in 2014 is hierover een motie ingediend, waarna in december 2015 een advies verscheen van het Zorginstituut om de Wlz open te stellen voor GGZ-cliënten. Het toenmalige Kabinet schoof de besluitvorming over het advies door naar het nieuwe Kabinet. Zoals het nu het advies rondom de invoering van een nieuw verdeelmodel doorschuift naar een nieuw Kabinet……

Herverdeeleffecten van ontwikkelingen op het gebied van wijzigingen van wet- en regelgeving:

  • Nieuw woonplaatsbeginsel jeugdwet
    We zien in het nieuwe verdeelmodel voor het sociaal domein dat er ook nog een aantal andere aanpalende ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving meegenomen worden die herverdeeleffecten tot gevolg hebben. Zo wordt vanaf 1 januari 2023 het huidige historisch deel van het objectief verdeelmodel Jeugd, voortaan objectief verdeeld door de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Middels een simulatie van CBS zijn de herverdeeleffecten in kaart gebracht en daaruit blijkt dat de (financiële) impact van de implementatie van het nieuwe woonplaatsbeginsel voor veel gemeenten groot is. Daarbij zijn gemeenten voor het mitigeren van de financiële risico’s bij de transitie ook nog eens afhankelijk van landelijke implementatie-afspraken als het gaat om bijvoorbeeld het al of niet respecteren van tariefafspraken en/of garantie op continuïteit van zorg. Overigens geldt dat andersom ook voor zorgaanbieders (wil je meer weten over de herverdeeleffecten door invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel, meld je dan hier aan voor de digitale lunchbijeenkomst op 4 maart 2021)
  • Door decentraliseren Beschermd Wonen
    En voor het door decentraliseren van Beschermd Wonen is weliswaar een nieuw verdeelmodel met een ingroeipad van 10 jaar maar de verklaringsgraad van de gehanteerde objectieve maatstaven bedraagt slechts 37%. Da’s niet heel stabiel….. Gecombineerd met het feit dat de middelen voor Maatschappelijke Opvang en Vrouwenopvang tot zeker 2026 NIET door gedecentraliseerd worden, maakt dat gemeenten zich meer dan maximaal zullen moeten inspannen goede samenwerkingsafspraken met hun centrumgemeente te maken wanneer zij hun maatschappelijke opgave om passende huisvesting voor (zorg)doelgroepen goed willen inrichten. Juist vanwege de enorme krapte op de huizenmarkt, gecombineerd met de ambulantisering van de GGZ en de “boete” die gemeenten krijgen als uitstroom vanuit klinische settingen op betaaltitel van de zorgverzekeraar stagneert, maakt een strakke sturing nodig om de hoogste nood te lenigen.
  • Openstelling Wlz voor GGZ-clienten
    De openstelling van de Wlz voor GGZ-cliënten laat een verschuiving zien van cliënten die voorheen onder het regime van de Wmo2015 vielen naar de Wlz. Naar schatting 11.000 van de 38.000 cliënten met een indicatie voor Beschermd Wonen hebben toegang gekregen tot de Wlz. Dat heeft gevolgen voor de budgetten van gemeenten; immers, het geld volgt de client. Theoretisch is er dus sprake va een budgetneutrale overheveling, maar ook hier zit de proof of the pudding in de transitieafspraken en de nieuwe afspraken die gemeenten moeten maken met zorgaanbieders.

Ben jij ook aanwezig bij de digitale lunchbijeenkomst “financiële en operationele impact van de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel” op 4 maart? Meld je dan via onderstaande knop aan:

Terug naar het overzicht

Aangesloten specialisten

Vakgebied